Andere informatie en diensten van de overheid: www.belgium.be

Bijenteelt

1. Wetgeving

  • 09/05/2017 - K.B. betreffende de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding in het kader van de bestrijding van varroase.
    (Nummer NUMAC - 2017011984 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • 21/06/2016 - K.B. van betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen door de dierenartsen en door de verantwoordelijken van de dieren
    (Nummer NUMAC - 2016024152 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • 03/02/2014 – K.B. tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24/03/1987 en tot regeling van de aangifteplicht.
    (Nummer NUMAC - 2014024064 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • 07/03/2007 - K.B. betreffende de bestrijding van de besmettelijke ziekten van de bijen.
    (Nummer NUMAC - 2007022374 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • 2003/881/EG - Beschikking van de Commissie van 11/12/2003 betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringsvoorwaarden voor de invoer van bijen en hommels (Apis mellifera et Bombus spp.) uit bepaalde derde landen en tot intrekking van Beschikking 2000/462/EG van de Commissie.
    (Nummer CELEX - 32003D0881 - voor de geconsolideerde wetgeving raadplegen)
  • 24/03/1987 - Dierengezondheidswet.

2. Wat men moet doen bij gezondheidsproblemen ?

Er zijn twee mogelijkheden :

  • De bijenhouder vermoedt dat zijn volken zijn aangetast of besmet door een van de in punt 3. vermelde aangifteplichtige ziekten.
    Hij moet in dat geval hiervan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) van de provincie waar de bijenstand zich bevindt .
  • De bijenhouder stelt abnormale sterfte bij zijn bijenvolken vast en kan de oorzaak daarvan niet achterhalen.
    Hij moet in dat geval uit eigen beweging een erkend dierenarts contacteren, die een onderzoek instelt. De dierenarts kan in het kader van dit onderzoek een monster opsturen naar het nationaal referentielaboratorium Sciensano. In dit geval staat de imker zelf in voor de analysekosten.

3. Aangifteplichtige ziekten en schadelijke organismen (KB 3 februari 2014)

Acariose, Amerikaans vuilbroed, Europees vuilbroed, de kleine bijenkastkever (Aethina tumida) en de tropilaelapsmijt zijn de ziekten of schadelijke organismen die zijn vermeld in het KB van 3 februari 2014 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en tot de regeling van de aangifteplicht. Het gaat om zgn. « aangifteplichtige ziekten »

Elke bijenhouder wiens kolonies ervan verdacht worden aangetast of besmet te zijn door een van deze ziekten moet hiervan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt.

3.1 Amerikaans vuilbroed

  • Situatie in België 
  • Verwekker
    Amerikaans vuilbroed is een bijenziekte die wordt overgebracht door een sporenvormende bacterie, Paenibacillus larvae. De sporen kunnen zelfs in extreme omstandigheden (droogte en koude) gedurende tientallen jaren overleven. Jonge larven (tot 2 dagen) zijn het gevoeligst voor de ziekte. Oudere larven worden alleen aangetast bij een vrij hoge infectiedruk. Volwassen bijen worden helemaal niet aangetast maar geven de ziekteverwekker wel door. Amerikaans vuilbroed kan de productiviteit gevoelig doen dalen en het bijenvolk doen wegkwijnen.
  • Symptomen
    De volgende symptomen kunnen wijzen op Amerikaans vuilbroed:
    • dun broed met gesloten cellen, open cellen en cellen met resten van aangetaste larven,
    • cellen met ingezonken celdeksel,
    • openingen in een aantal celdeksels,
    • celdeksels zijn donkerder van kleur dan normaal,
    • gronderige leemachtige geur,
    • inhoud van aangetaste cellen is dradentrekkend en stroperig (luciferproef),
  • Verspreiding
    Besmetting via de sporen kan gebeuren bij:
    • het voeren van besmette honing of besmet stuifmeel,
    • het binnenbrengen van vreemde bijen,
    • gebruik van tweedehands materiaal of besmet materiaal,
    • het zwermen.
      De sporen worden overgebracht door het poetsgedrag van de bijen en tijdens het voeden van de larven.
  • Preventie en bestrijding
    Het risico op besmetting kan op een aantal manieren worden verminderd:
    • niet voeden met honing of stuifmeel van onbekende oorsprong,
    • geen raten of ramen van onbekende oorsprong gebruiken,
    • nagaan of het broed geen gebreken vertoont,
    • contact met andere bijenvolken beperken.
      Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt. De LCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het Sciensano.
      Wanneer wordt vastgesteld dat een kast door Amerikaans vuilbroed is aangetast, moet de LCE waarvan de bijenstand afhangt onmiddellijk worden verwittigd.

      Als de monsters positief zijn (sporen bevatten) wordt de besmette kolonie ofwel geruimd ofwel wordt een kunstzwerm gemaakt. Er wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Het is verboden bijen te vervoeren binnen het beschermingsgebied en de andere volken worden onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.

3.2 Europees vuilbroed

  • Situatie in België
  • Verwekker
    Europees vuilbroed is een bijenziekte die wordt veroorzaakt door Melissococcus plutonius, een niet-sporenvormende bacterie. Alleen jonge larven (tot 2 dagen) zijn er gevoelig voor. Zij worden dan ook zeer snel ziek. De cellen waarin zij zich bevinden hebben geen deksel meer. Poetsende bijen raken besmet en besmetten de larven tijdens het voeden.
  • Symptomen
    De volgende symptomen kunnen wijzen op Europees vuilbroed:
    • gevlekt broedpatroon,
    • larven worden geelachtig of bruinachtig van kleur,
    • dode larven verdrogen tot makkelijk te verwijderen schilfers,
    • min of meer uitgesproken rottingsgeur of azijngeur.
  • Verspreiding
    Besmetting kan gebeuren:
    • door bijen die de cellen poetsen,
    • door het binnenbrengen van vreemde bijen,
    • door gebruik van tweedehands materiaal of besmet materiaal.
  • Preventie en bestrijding
    Er zijn verschillende manieren om het risico op besmetting te verminderen:
    • materiaal geregeld ontsmetten,
    • geen raten en ramen van onbekende oorsprong gebruiken,
    • de toestand van het broed geregeld controleren,
    • contact met andere bijenvolken beperken.

      Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt. De LCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het Sciensano. Als de resultaten positief zijn (ruimen of kunstzwerm) wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Binnen het beschermingsgebied is het verboden bijen te vervoeren en worden de andere volken onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.

3.3 Acariose

  • Verwekker
    Acariose (of acarapisose) is een bijenziekte die wordt veroorzaakt door de Acarapis woodi mijt. Die mijt is een inwendige parasiet die voorkomt in het ademhalingsstelsel van de bij en vooral leeft in de eerste thoraxtrachee van de bij en zich daar vermenigvuldigt. Bijen die nog geen 10 dagen oud zijn, zijn het meest ontvankelijk.
  • Symptomen
    De besmetting wordt pas in een gevorderd stadium zichtbaar, doorgaans vroeg in de lente.
    De volgende symptomen kunnen wijzen op acariose:
    • bijen met gezwollen achterlijf,
    • bijen die zich vastklampen aan grassprietjes of zich voortslepen,
    • diarreesporen,
    • moeilijk vliegen.
  • Verspreiding
    De besmetting verspreidt zich via direct contact tussen volwassen bijen.
    • Preventie en bestrijding
      Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt. De LCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het Sciensano. Als de monsters positief zijn, wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Binnen het beschermingsgebied is het verboden bijen te vervoeren en worden de andere volken onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.

3.4 Varroase (niet meer aangifteplichtig sinds 21/03/2014)

    3.5 Aethina tumida : kleine bijenkastkever

    • Verwekker
      Aethina tumida is een kleine kever, 5 tot 7 mm lang en 3 tot 5 mm breed (1/3 van een bij), bruinrood van kleur vlak na het uitkomen, zwart bij volwassenheid. De roomwitte larven zijn ongeveer 1 cm lang. Zij voeden zich moet broed, stuifmeel, honing. Als ze de maturiteit bereiken, verlaten ze de kast en graven zich in de grond in (10 à 30 cm) waar ze hun gedaanteverwisseling ondergaan.
    • Symptomen
      • kleinere oogst,
      • aangetaste, door de bijen verlaten ramen,
      • ondergang van het volk,
      • sterke geur: gistende honing.
    • Verspreiding
      De verspreiding gebeurt door:
      • uitwisseling van bijen in verpakking, zwermen,
      • ramen,
      • was,
      • vruchten,
      • de grond,
      • vluchten van volwassen exemplaren over afstanden van soms meer dan 5 km.
    • Preventie en bestrijding
      Als de kleine bijenkastkever er eenmaal is, kan hij niet meer worden uitgeroeid.
      Bij bezoek aan de bijenstand, Aethina zoeken in de niet-verlichte delen van de kast en in de scheuren met afval dat niet door de bijen wordt verwijderd.
      De invoerprocedures moeten nauwgezet worden nageleefd.
      Wanneer besmetting van de kast door Aethina wordt vastgesteld, moet de Lokale Controle-eenheid (LCE) (zie adres in contact) waarvan de bijenstand afhangt, onmiddellijk worden verwittigd.

    Informatiefiche (PDF) over de kleine bijenkastkever (©ANSES).

    Opduiken van de kleine bijenkastkever in Italië.
    Nieuw : update situatie : 11/12/2018 worden sommigen haarden vastgesteld in Zuid-Italie.

    In 2014 dook de kleine bijenkastkever voor het eerst op in Zuid-Italië. Sindsdien werden al verschillende tientallen haarden vastgesteld in het beschermingsgebied dat werd ingesteld in Calabrië en Sicilië, waarbij zowel volwassen kevers als larven werden aangetroffen.
    Het gevaar op binnenbrengen van de kleine bijenkastkever door de invoer van bijen uit aangetaste gebieden is reëel. Elke verplaatsing van bijen en hommels moet sowieso met de nodige voorzichtigheid gebeuren en is aan bepaalde regels onderworpen (zie ook punt 6 – invoer).
    Invoer vanuit de aangetaste regio’s in Italië (Calabrië en heel Sicilië) is verboden.

    Waakzaamheid voor de kleine bijenkastkever.

    Update situatie kleine bijenkastkever in Zuid-Italië (11/12/2018)

    3.6 Tropilaelaps sp

    • Verwekker
      Tropilaelaps is een mijt die bijen uitwendig parasiteert. Tot het geslacht Tropilaelaps behoren twee voor soorten die bij onze bijen ziekten verwekken: clareae en koenigerum.
      Die mijten zijn ongeveer 1 mm lang en parasiteren de larven en nimfen. Ze zijn bruinrood van kleur en worden soms aangetroffen op volwassen bijen waar ze slechts 3 dagen kunnen overleven.
    • Symptomen
      Uitwendige parasiet die zich voedt met hemolymfe. De symptomen lijken op die van Varroa:
      • misvormingen aan vleugels, poten en achterlijf,
      • onregelmatig broed waarin de sterfte kan oplopen tot 50%.
    • Verspreiding
      De besmetting gebeurt wanneer koninginnen worden binnengebracht. De verspreiding gebeurt eveneens door volwassen exemplaren. Tropilaelapsmijten zijn erg mobiel en kunnen zich binnen het volk bewegen.
      De grootste verspreider is de imker (verplaatsen van volken, ramen, enz…).
    • Preventie en bestrijding
      De tropilaelapsmijt kan makkelijk worden onderscheiden van Varroa (breder dan ze lang is en groter), vooral met behulp van een vergrootglas. Omdat Tropilaelaps larven en nimfen aanvalt kan de diagnose makkelijker worden gesteld. Omdat de levenscyclus die van Varroa benadert, kunnen opsporingsmethoden worden toegepast.
      Bestrijding is mogelijk bij middel van technieken die bij voorkeur in perioden zonder broed worden toegepast omdat Tropilaelaps zich niet kan voeden op volwassen bijen.
      Er moeten voorzorgen worden genomen met betrekking tot het binnenbrengen van nieuwe bijen of het gebruik van tweedehands materiaal. De invoerprocedures moeten nauwgezet worden nageleefd
      Wanneer infestatie van een kast door de tropilaelapsmijt wordt vastgesteld, moet de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt onmiddellijk worden verwittigd.

    4. Vergoedingen (KB 7 maart 2007)

    In de gevallen waarin het Agentschap de verdelging van kolonies (bij aantasting door vuilbroed) oplegt, kan door het Agentschap aan de bijenhouder een vergoeding worden toegekend van 125 EUR per houten kast of kunststofkast. De formulieren om de vergoeding aan te vragen, moeten worden toegezonden aan de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt.

    5. Gezondheidstoestand (aangifteplichtige ziekten)

    • Acariose: zie Zoosanitaire toestand in België (1. Aangifteplichtige dierenziekten)
    • Europees vuilbroed :
      • 2014 : 3 haarden
      • 2015 : geen haarden
      • 2016 : geen haarden
      • 2017 : 1 haard
      • 2018 : geen haarden
      • 2019 : 11 haarden
      • 2020 : 16 haarden
      • 30/08/2021 : 1 haard te 6280 Acoz, opheffing maatregelen op 26/11/2021
      • 12/08/2022 : 1 haard te 6280 Acoz, opheffing maatregelen op 22/05/2023
      • 16/08/2022 : 1 haard te 7880 Flobecq, opheffingmaatregelen op 23/09/2022
      • 30/08/2022 : 1 haard te 6200 Bouffioulx, opheffingmaatregelen op 13/07/2023
      • 12/10/2022 : 1 haard te 6043 Ransart, opheffingmaatregelen op 07/09/2023
      • 13/06/2023 : 1 haard te 1000 Brussel
      • 30/06/2023 : 1 haard te 6661 Mont (Houffalize)
      • 19/07/2023 : 1 haard te 6661 Wilogne
      • 19/07/2023 : 1 haard te 6666 Wibrin
      • 20/07/2023 : 1 haard te 1080 Molenbeek-Saint-Jean
      • 18/08/2023 : 1 haard te 4130 Esneux
      • 18/08/2023 : 1 haard te 4990 Lierneux
      • 28/08/2023 : 1 haard te 6666 Wibrin
      • 01/09/2023 : 1 haard te 6972 Tenneville
      • 11/09/2023 : 1 haard te 1140 Brussel
      • 14/09/2023 : 1 haard te 6666 Wibrin
      • 28/09/2023 : 1 haard te 6680 Saint-Ode
      • 28/09/2023 : 1 haard te 6983 Ortho
      • 05/10/2023 : 1 haard te 6687 Bertogne
      • 02/05/2024 : 1 haard te 6970 Tenneville
      • 28/05/2024 :1 haard te 4180 Comblain-la-Tour
      • 31/05/2024 : 1 haard te 6972 Wyompont
      • 06/06/2024 : 1 haard te 6972 Erneuville
      • 14/06/2024 : 1 haard te 1083 Ganshoren (Jette)
      • 25/06/2024 : 1 haard te 6983 Warempage
      • 28/06/2024 : 1 haard te  6986 Halleux (La Roche en Ardemme)
    • Amerikaans vuilbroed:
      • 2006: 3 haarden
      • 2007: 5 haarden
      • 2008: 1 haard
      • 2009: 4 haarden
      • 2010: geen haarden
      • 2011: geen haarden
      • 2012: geen haarden
      • 2013: 2 haarden
      • 2014: 36 haarden
      • 2015: 16 haarden
      • 2016: 6 haarden
      • 2017: 3 haarden
      • 2018: 14 haarden
      • 2019: 10 haarden
      • 08/04/2020: 1 haard te 6810 Chiny, opheffing maatregelen op 06/05/2020
      • 20/04/2020: 1 haard te 6810 Chiny, opheffing maatregelen op 06/05/2020
      • 15/06/2020: 1 haard te 5621 Morialmé, opheffing maatregelen op 26/11/2021
      • 16/06/2020: 1 haard te 6810 Chiny, opheffing maatregelen op 08/09/2020
      • 10/07/2020: 1 haard te 6280 Gerpinnes, opheffing maatregelen op 26/11/2021
      • 28/07/2020: 1 haard te 6280 Gerpinnes, opheffing maatregelen op 26/11/2021
      • 30/07/2020: 1 haard, te 6280 Joncret, opheffing maatregelen op 26/11/2021
      • 10/05/2021: 1 haard te 5081 Saint Denis, opheffing maatregelen op 29/07/2021
      • 14/06/2021: 1 haard te 9160 Lokeren, opheffing maatregelen op 23/07/2021
      • 27/07/2021: 1 haard te 1785 Merchtem, opheffing maatregelen op 02/09/2021
      • 18/08/2021: 1 haard te 6180 Courcelles, opheffing maatregelen op 30/06/2022
      • 28/06/2022: 1 haard te 5555 Bièvre, opheffing maatregelen op 05/08/2022
      • 14/07/2022: 1 haard te 5555 Bièvre, opheffing maatregelen op 05/08/2022

        Overzicht schutkringen voor Europees en Amerikaans vuilbroed in België: kaart (laatste update 15 juli 2024)
    • Aethina tumida : het Belgische grondgebied is vrij.
    • Tropilaelapsmijt : het Belgische grondgebied is vrij.

    6. Invoer (Verordening (EU) nr. 206/2010)

    De invoer van bijen en hommels is toegestaan mits tegelijk aan de volgende drie eisen is voldaan:

    • ze zijn afkomstig uit derde landen die voldoen aan de veterinairrechtelijke basisvoorwaarden (lijst in Bijlage II, deel 1 bij Verordening (EU) nr. 206/2010),
    • de zendingen gaan vergezeld van een gezondheidscertificaat dat in overeenstemming is met het model en voldoen aan de in dat model genoemde garanties,
    • de zendingen bevatten per koninginnenkast niet meer dan één koningin met maximaal twintig voedsters en per hommelnest maximaal 200 volwassen hommels.

    Er zijn uitzonderingen mogelijk. Die zijn vermeld in Verordening (EU) nr. 206/2010.

    7. Registers (KB 14 november 2003)

    Bijenhouders moeten registers bijhouden waarin het volgende wordt vermeld:

    • de aard en de oorsprong van dierenvoeders;
    • de toegediende diergeneesmiddelen of andere behandelingen die de dieren hebben ondergaan, met inbegrip van de data van toediening of behandeling en de wachttijden;
    • de aanwezigheid van ziekten die de veiligheid van de producten van dierlijke oorsprong in het gedrang kunnen brengen;
    • de voor de volksgezondheid belangrijke resultaten van analyses van bij de dieren genomen monsters of van andere voor diagnosedoeleinden genomen monsters;
    • alle toepasselijke controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong.

    Bijenhouders moeten de registers gedurende ten minste vijf jaar bewaren en de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking stellen van het Agentschap, van de gewestelijke overheden en van de ontvangende exploitanten van agro-voedingsbedrijven.

    8. Draaiboek bij acute vergiftiging van honingbijen door pesticiden

    Het draaiboek bij acute vergiftiging van honingbijen door pesticiden bevat alle praktische informatie voor de imker over wanneer en hoe een vermoeden van acute bijenvergiftiging door pesticiden kan gemeld worden aan het FAVV.

    Het draaiboek geldt enkel voor bijensterfte veroorzaakt door pesticidenvergiftiging. Zodoende is het belangrijk om dergelijke sterfte te onderscheiden van natuurlijke sterfte, sterfte door bijenziekten, wintersterfte, sterfte door gebrek aan voedsel of door andere factoren zoals de hoornaar, …
    Dit draaiboek is enkel van toepassing als er een gefundeerd vermoeden van acute pesticidenintoxicatie is, d.w.z. het afsterven van minstens één derde van de betrokken kast(en) binnen een tijdspanne van 48 uur, samen met de vaststelling dat er een grote hoeveelheid dode bijen voor de kast ligt.


    De melding aan de LCE, waarvan de bijenstand afhangt, moet gebeuren door middel van het standaard meldingformulier:
    Bijlage 3 (DOC) van het K.B. van 22/01/2004 : Formulier voor exploitanten van de sector van de primaire dierlijke productie.

    Contactgegevens van de Lokale Controle-eenheden (LCE) voor de melding.

    9. Verkeer van bijen binnen de EU

    Wanneer bijen (koninginnen, werksters, broed,...) verzonden worden naar een ander land binnen de EU, moeten zij vergezeld gaan van een veterinair certificaat. Dergelijk certificaat moet opgesteld worden voor elk transport vanuit België naar een andere EU-lidstaat: zowel om commerciële redenen (bijen die verkocht worden naar het buitenland), als niet-commerciële redenen. Ook bijen die tijdelijk naar het buitenland verplaatst worden, bijvoorbeeld naar een bevruchtingseiland of omwille van transhumance, moeten tijdens het transport vergezeld gaan van een veterinair certificaat. Dit certificaat, dat wordt opgesteld door een officiële dierenarts, garandeert dat de bijen gezond zijn op de dag van verzending en dat ze vrij zijn van bepaalde bijenziektes zoals Amerikaans vuilbroed, de kleine bijenkastkever (Aethina tumida) en de Tropilaelapsmijt (Tropilaelaps spp.).

    Om een veterinair certificaat te kunnen opstellen, moeten volgende voorwaarden vervuld zijn:

    1) de bijen komen uit een gebied waarvoor geen beperkingen gelden in verband met Amerikaans vuilbroed;
    2) de bijen komen uit een gebied met een straal van ten minste 100 km, waar geen beperkingen gelden in verband met de kleine bijenkastkever of van de tropilaelapsmijt en waar deze plagen niet voorkomen;
    3) de bijen, evenals hun verpakking, hebben een visueel onderzoek ondergaan met het oog op de opsporing van de kleine bijenkastkever en de Tropilaelapsmijt

    Er wordt één veterinair certificaat opgemaakt per verzender (en per bestemmeling). Per certificaat kunnen met andere woorden maar bijen van 1 imker verzonden worden.
    De aanvraag van een veterinair certificaat kan gebeuren via de Lokale Controle-eenheden . Wanneer de certificeringaanvraag voor 12 uur werd ontvangen, zal een officiële dierenarts de volgende dag ter plaatse komen om het certificaat op te stellen.

    Voor de afgifte van dit certificaat moet een vergoeding worden betaald: Retributies

    10. HealthyBee: bewakingsprogramma voor de bijengezondheid

    HealthyBee 2016
    Het FAVV lanceerde in het najaar van 2016 met HealthyBee een nieuw bewakingsprogramma voor de bijengezondheid.
    In dit programma werd de gezondheid van 200 bijenstanden opgevolgd. Hoofddoel van het programma was om de bijensterfte objectief te bepalen. Daarnaast werden mogelijke verbanden tussen de bijensterfte en de factoren die het vaakst vernoemd worden als mogelijke oorzaak ervan onderzocht. Op basis van de bekomen informatie kan de overheid het bijengezondheidsbeleid verder uitstippelen.
    Meer informatie over HealthyBee 2016 (PDF)

    Eerste voorlopige resultaten van bezoekreeks 1 van het HealthyBee-project, uitgevoerd in september-oktober 2016 :
    - Communicatie aan de deelnemende imkers (PDF)
    - Presentatie van de eerste resultaten (PDF)

    HealthyBee 2017
    - Het FAVV zet de bewaking van de bijengezondheid verder (PDF)
    - Meer informatie over HealthyBee 2017 (PDF)

    HealthyBee 2018
    Sinds 2018 wordt informatie voor het toezicht op de gezondheid van bijen uit het meerjarige controleplan van het FAVV gehaald.  Deze gegevens worden geanalyseerd en gepresenteerd door het NRL Sciensano. De door HealthyBee verstrekte informatie wordt nu vervangen door die van het controleplan van het FAVV.
    Informatie over bijensterfte in 2018 (PDF)

    HealthyBee 2019
    Informatie over bijensterfte in 2019 (PDF)

    HealthyBee 2020
    Informatie over bijensterfte in 2020 (PDF)

    HealthyBee 2021
    Informatie over bijensterfte in 2021 (PDF)

    HealthyBee 2022
    Informatie over bijensterfte in 2022 (PDF)

    HealthyBee 2023
    Informatie over bijensterfte in 2023 (PDF)