Andere informatie en diensten van de overheid: www.belgium.be

Plantaardige productie

Gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen

 


Introductie


Gewasbeschermingsmiddelen (insecticiden, fungiciden, herbiciden,...) en toevoegingsstoffen worden gebruikt om planten te beschermen tegen schadelijke organismen of voor onkruidbestrijding. Deze producten hebben hun stempel gedrukt op de recente geschiedenis van onze landbouw. Zo stond de Europese landbouw na de tweede wereldoorlog voor een zeer grote uitdaging : zorgen voor voldoende productie om de hele bevolking te voeden. Gewasbeschermingsmiddelen hebben hun bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een performantere landbouw. Na deze uitdaging staat de moderne landbouw momenteel voor andere uitdagingen, waarvan niet de minste het zorgen voor een kwaliteitsvolle productie is en waarbij zowel de menselijke als de dierlijke gezondheid als ook het milieu moet worden gerespecteerd.

De commercialisering en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen zijn strikt gereglementeerd. De wettelijke bepalingen die hierop betrekking hebben zijn de laatste jaren sterk geëvolueerd, zowel door de opsplitsing van de toelatingen op Belgisch vlak, als door de Europese reglementering betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of door de kaderrichtlijn met het oog op een pesticidengebruik dat verenigbaar is met duurzame ontwikkeling.

Het is de bedoeling om op deze pagina een overzicht te geven van de voorschriften die van toepassing zijn op het in de handel brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en op de controle ervan.


Definities


Pesticiden : term die de gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen evenals de biociden omvat
 

Image
Schema pesticiden

Gewasbeschermingsmiddelen : dit zijn de producten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1107/2009 die hoofdzakelijk worden gebruikt voor de bescherming van planten en voor onkruidbestrijding.  Zij omvatten fungiciden, insecticiden, herbiciden en groeiregulatoren,...

Toevoegingsstoffen: dit zijn de producten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bestemd om te worden gemengd met een gewasbeschermingsmiddel (uitvloeiers, anti-schuimmiddelen,...)

Biociden : dit zijn de producten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 528/2012 die bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten ervan te voorkomen of het op andere wijze te bestrijden. Hieronder vindt men diverse producten terug zoals insectendodende middelen en knaagdierbestrijdingsmiddelen voor huishoudelijk of industrieel gebruik, houtbeschermingsproducten, ontsmettingsmiddelen,...

NBGM (niet bruikbare gewasbeschermingsmiddelen) : Dit zijn de gewasbeschermingsmiddelen die niet langer gebruikt mogen worden, omwille van verschillende redenen :

  • Het gebruik ervan is niet langer toegelaten;
  • Er bestaat onzekerheid over het product (onleesbaar, verdwenen etiket,...) ;
  • De fysico-chemische toestand is gewijzigd (door vorst, neerslag,...) of de vervaldatum is overschreden.

NVGM (niet verkoopbare gewasbeschermingsmiddelen) : Dit zijn de gewasbeschermingsmiddelen die niet langer in de handel mogen worden gebracht.

Professioneel gebruiker : elke fysieke of rechtspersoon die gewasbeschermingsmiddelen gebruikt in het kader van zijn beroepsactiviteit, meer bepaald de operatoren, technici, werkgevers en zelfstandigen uit de landbouwsector of andere.


Bevoegdheden


De toelating van gewasbeschermingsmiddelen, toevoegingsstoffen en biociden valt onder de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid

De controle op het in de handel brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gebeurt door het FAVV.
De Federale overheidsdienst Volksgezondheid - DG Leefmilieu, Inspectiedienst voert de controle uit op het in de handel brengen en op het gebruik van biociden, evenals bijkomende controles op gewasbeschermingsmiddelen.


Wetgeving

 

  • Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
    (CELEX-nummer 32009R1107 - voor de geconsolideerde wetgeving raadplegen)
  • Verordening (EG) nr. 669/2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong
    (CELEX-nummer 32009R0669 - voor de geconsolideerde wetgeving raadplegen)
  • Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong
    (CELEX-nummer 32005R0396 - voor de geconsolideerde wetgeving raadplegen)
  • Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden
    (CELEX-nummer 32009L0128 - voor de geconsolideerde wetgeving raadplegen)
  • Koninklijk besluit van 13 juli 2014 betreffende levensmiddelenhygiëne 
    (NUMAC-nummer 2014018271 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen
    (NUMAC-nummer 2013024124 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Koninklijk besluit van 13 maart 2011 betreffende de technische keuring van spuittoestellen
    (NUMAC-nummer 2011018116 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Ministerieel besluit van 26 april 2011 tot erkenning van keuringsdiensten waaraan de taken in verband met de keuring van spuittoestellen door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen worden gedelegeerd
    (NUMAC-nummer 2011018160 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het FAVV
    (NUMAC-nummer 2005023114 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Ministerieel besluit van 22 december 2005 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de aanvullende maatregelen die getroffen worden in het kader van de controle op de aanwezigheid van nitraten en van residuen van gewasbeschermingsmiddelen in en op sommige groente- en fruitsoorten
    (NUMAC-nummer 2005023115 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik
    (NUMAC-nummer 1994016031 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende de erkenning en de toelating van ondernemingen die bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik vervaardigen, invoeren, uitvoeren of verpakken
    (NUMAC-nummer 1994016033 - voor de gecoördineerde wetgeving)

Erkenning, toelating en registratie van de operatoren die actief zijn bij het in de handel brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen


In toepassing van het KB van 16 januari 2006 moeten de fabrikanten en verpakkers van gewasbeschermingsmiddelen beschikken over een FAVV-erkenning. In- en uitvoerders van gewasbeschermingsmiddelen, evenals inrichtingen die door een derde producten laten verpakken, bereiden of produceren met als doel deze te commercialiseren onder hun eigen naam, moeten beschikken over een FAVV-toelating. De andere operatoren moeten bij het FAVV geregistreerd zijn.

Bijkomende informatie en nuttige links :


Fytolicentie


De fytolicentie is een certificaat afgeleverd door de FOD Volksgezondheid in toepassing van het KB van 19 maart 2013 met als doel de handelingen met gewasbeschermingsmiddelen aan personen met de nodige kennis voor te behouden, zodoende de risico’s van deze middelen voor de gezondheid van mens, dier en voor het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken. Sinds 25 november 2015 is de fytolicentie verplicht voor personen die:

  • gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel gebruik of toevoegingsstoffen aankopen, bewaren of gebruiken in het kader van hun beroepsactiviteiten;
  • voorlichting geven over gewasbeschermingsmiddelen of toevoegingsstoffen;
  • gewasbeschermingsmiddelen of toevoegingsstoffen verdelen of verkopen.

De invoering van de fytolicentie kadert in de omzetting van de Europese richtlijn 2009/128/EG ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden. Een voorwaarde voor het verkrijgen is de kennis van het goede gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en door doorlopende opleidingen kan die behouden blijven.

Meer informatie :


Opslag van de producten


De gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel gebruik en toevoegingsstoffen moeten bewaard worden in een geschikt opslaglokaal. Het KB van 19 maart 2013 bepaalt de voorwaarden waaraan het lokaal of de kast moet voldoen.

De volgende algemene voorwaarden moeten in alle gevallen in acht worden genomen voor de bewaring van professionele producten :

  • Het lokaal moet bestemd zijn voor de bewaring van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen. Er wordt evenwel aanvaard dat er eveneens andere producten worden bewaard in gesloten verpakkingen (biociden, chemische producten,...). Er mogen in geen enkel geval levensmiddelen, geneesmiddelen, diervoeders of andere stoffen bestemd voor menselijke consumptie of dierlijke voeding terug te vinden zijn.
  • Het lokaal moet op slot zijn.
  • Het lokaal is enkel toegankelijk door fytolicentiehouders of onder toezicht van een fytolicentiehouder.
  • Het moet op een doeltreffende manier verlucht worden, droog zijn, in een goede staat van onderhoud en netheid verkeren en aan alle voorwaarden voldoen zodat de producten op een goede manier bewaard worden.
  • De toegang tot het lokaal moet voorzien zijn van de volgende vermeldingen :
    • "Verboden toegang voor onbevoegden" en een overeenkomstig symbool
    • De identiteit en de coördinaten van de beheerder van het lokaal (houder van een fytolicentie P2 of P3).

Er zijn nog aanvullende voorwaarden van toepassing op bepaalde gewasbeschermingsmiddelen met verhoogd risico (fumiganten).

De producten moeten steeds in hun oorspronkelijke verpakking bewaard worden en voorzien zijn van hun etiket om elke verwarring te vermijden.

Opgelet, dit zijn federale voorschriften. In het kader van de gewestelijke wetgeving kunnen bijkomende voorwaarden van toepassing zijn.

Meer informatie :


Producten die niet meer mogen worden verkocht (NVGM) of worden gebruikt (NBGM)


Het verhandelen, gebruiken en bezitten van gewasbeschermingsmiddelen die niet of niet langer toegelaten zijn, is verboden bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 en bij het KB van 28 februari 1994. Deze producten, ook NVGM of NBGM genoemd, moeten derhalve in het opslaglokaal worden bewaard, apart van andere producten en duidelijk geïdentificeerd zijn als producten die niet meer mogen verkocht of gebruikt worden (bijvoorbeeld door middel van een affiche met "NBGM", "vervallen",...).  Zij moeten aan AgriRecover worden meegegeven tijdens hun ophaalcampagnes voor NBGM en NVGM die om de twee jaar worden georganiseerd (http://www.agrirecover.eu).

De toleranties die het FAVV toepast en de in acht te nemen voorwaarden voor de opslag van NBGM en NVGM zijn beschreven in de omzendbrief  betreffende het bezit van gewasbeschermingsmiddelen waarvan het gebruik verboden is (PCCB/S1/JFS/625325).


Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen


Een gewasbeschermingsmiddel of een toevoegingsstof mag enkel gebruikt worden voor datgene waartoe het toegelaten is. Men moet dus niet enkel aandacht schenken aan het feit of het product zelf toegelaten is, maar ook of het voor de gewenste toepassing toegelaten is (soort gewas, soort bestrijding,...).

Om te voorkomen dat de maximale residulimiet (MRL), die bepaald is in de wetgeving, overschreden wordt, is het eveneens noodzakelijk de gebruiksdosissen en de wachttijd (termijn vóór het oogsten) die op het etiket van het product vermeld zijn na te leven. Hetzelfde geldt voor de toepassingsfrequentie (het maximum aantal toepassingen per gewas) die in geen geval mag worden overschreden.

Ter bescherming van het aquatische milieu en drinkwater worden bufferzones, waarin gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen niet mogen toegepast, vastgesteld. Deze stemmen overeen met de afstand tussen de laatste spuitdop van het spuittoestel en de rand van het wateroppervlak. Het KB van 19 maart 2013 legt een minimale bufferzone van 1 meter vast in geval van verticaal neerwaarts gerichte bespuitingen en van 3 meter in geval van andere dan verticaal neerwaarts gerichte bespuitingen. Bovendien mogen ook specifieke bufferzones vastgelegd worden tijdens de toelating van producten naargelang het risico hiervan voor het waterleven. Deze specifieke bufferzones zijn aangeduid op het etiket van het product en moeten natuurlijk worden gerespecteerd.

Een brochure met verklaring over de bufferzones is beschikbaar op de website fytoweb (https://fytoweb.be/nl/gewasbeschermingsmiddelen/gebruik/professionele-gebruiker/watercontaminatie)

Er moet worden opgemerkt dat de Gewesten eveneens bijkomende bufferzones ter bescherming van het milieu kunnen vaststellen.


Bijhouden van registers en traceerbaarheid


Teneinde de traceerbaarheid te garanderen en zo maximaal de negatieve gevolgen te beperken in geval van een problematisch product (gewasbeschermingsmiddel van slechte kwaliteit, MRL van een levensmiddel is overschreden,...) is het verplicht om verschillende registers in het bedrijf bij te houden.

Bij Verordening 1107/2009 en het KB van 14 november 2003 worden de distributeurs verplicht de traceerbaarheid van de gewasbeschermingsmiddelen die zij op de markt brengen te garanderen. Daarom moeten ze de gegevens van de binnenkomende en uitgaande producten van hun vestigingseenheid registreren en de samenhang ervan verzekeren.

Bij de Verordening 1107/2009 en het KB van 13 juli 2014 wordt aan de professionele gebruikers het bijhouden van een gebruiksregister voor gewasbeschermingsmiddelen opgelegd.

De te registreren gegevens worden verduidelijkt in de omzendbrief  met betrekking tot het bijhouden van registers voor gewasbeschermingsmiddelen door professionele gebruikers en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen ingevolge de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1107/2009 (PCCB/S1/JFS/676013).


FAVV-controles en autocontroles

 

  • Inspecties bij de distributeurs en gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen

    Het FAVV voert inspecties uit bij de distributeurs en gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen om na te gaan of de wetgeving gerespecteerd werd. De inspecties gebeuren door middel van controlechecklists.

    Bijkomende informatie en nuttige links
  • Controle op residuen van pesticiden

    Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de productie van groenten, fruit en granen kan aanleiding geven tot de aanwezigheid van residuen in levensmiddelen en diervoeder.

    De maximale residulimieten (MRL) van pesticiden die in de Europese Gemeenschap worden toegepast zijn vastgelegd bij Verordening (EG) nr. 396/2005. De MRL laten toe het goede gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na te gaan (gebruik van toegelaten producten in de teelt, naleving van de gebruiksdosissen en van de termijnen vooraleer geoogst wordt,...) en de gezondheid van de consument te beschermen. Levensmiddelen waarin deze MRL niet nageleefd worden, mogen niet op de markt gebracht worden.
    • Officiële controles

      Het FAVV stelt een controleprogramma op voor residuen van pesticiden in levensmiddelen en in diervoeders. Het is ontwikkeld op basis van het risico en er wordt dus bijzondere aandacht geschonken aan levensmiddelen die MRL-overschrijdingen kunnen vertonen. Een overschrijding van de MRL betekent niet noodzakelijk - en zelfs zelden - een gevaar voor de consument, maar is een teken van verkeerd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In geval van overschrijding van de MRL wordt altijd een risico-evaluatie voor de consument uitgevoerd. Deze is gebaseerd op de Europese aanpak die de residuhoeveelheid ingenomen door consumenten inschat (PSTI – Predicted Short Term Intake) en die dan aan de toxicologische referentiegegevens toetst. Via een berekeningsbestand (Berekening PSTI) met alle nuttige gegevens is het mogelijk het risico voor de consument in te schatten bij overschrijding van de MRL in voedingsmiddelen en diervoeding.

      Indien een serieus risico voor de gezondheid met betrekking tot de overschrijding van de MRL wordt aangetoond, worden maatregelen getroffen om de consumptie van het betrokken voedingsmiddel te vermijden (uit de handel nemen, persbericht en recall bij de consument). Bovendien vindt een inspectie plaats bij de verantwoordelijke van het levensmiddel (Belgische producent of invoerder) om de reden van overschrijding van de MRL vast te stellen en indien nodig bijkomende analyses uit te voeren.

      In toepassing van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/1793 zijn voor bepaalde levensmiddelen uit sommige derde landen verhoogde controles op invoer in de hele EU (havens, vliegtuigen,...) ingesteld. Deze lijst wordt regelmatig herzien op basis van de controleresultaten.
    • Autocontrole

      Operatoren zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van levensmiddelen en diervoeders die aan de MRL voldoen. Om na te gaan of hun producten aan de MRL voldoen, voeren zij analyses uit in het kader van hun autocontrole. Als zij levensmiddelen en diervoeders vinden die niet aan de MRL voldoen, mogen zij deze niet in de handel brengen, gebruiken of verdunnen om ze in overeenstemming te brengen met de MRL. Levensmiddelen of diervoeders die een ernstig risico vormen voor de gezondheid van mens of dier moeten ook aan het FAVV worden gemeld in het kader van de meldingsplicht.

      Onderstaand schema geeft aan hoe de analyseresultaten in levensmiddelen geïnterpreteerd moeten worden en wanneer een melding aan het FAVV gedaan moet worden. De voor diervoeders geldende aanpak is beschreven in de Omzendbrief betreffende de toepassing van de verordening inzake residuen van bestrijdingsmiddelen in diervoeding.
       
      Image
      Flowchart bestrijdingsmiddelen
      * De risicobeoordeling is gebaseerd op het door het laboratorium gerapporteerde analyseresultaat. De analytische meetonzekerheid wordt niet in aanmerking genomen.
      ** Indien er geen ernstig risico voor de consument is, wordt de analytische meetonzekerheid van het analyseresultaat afgetrokken. Wanneer het laboratorium geen specifieke analytische onzekerheid heeft gerapporteerd, wordt overeenkomstig de EU-richtsnoeren een onzekerheid van 50% in aanmerking genomen.
    • Bijkomende informatie en nuttige links