Andere informatie en diensten van de overheid: www.belgium.be

Bijenteelt

1. Basisbepalingen (KB 19/03/2004)

Het KB van 19/03/2004 legt de basisbepalingen betreffende de honing vast. Merk op dat naar aanleiding van Richtlijn (EU) 2024/1438 het KB van 19/03/2004 momenteel wordt herzien, waarbij onder andere de regels voor de etikettering van de oorsprong van honing zullen worden aangepast.

De definitie van honing: een natuurlijke zoete stof die door de bijensoort Apis mellifera wordt bereid uit bloemennectar of uit afscheidingsproducten van levende plantendelen of uitscheidingsproducten van plantensapzuigende insecten op de levende plantendelen, welke grondstoffen door de bijen worden vergaard, verwerkt door vermenging met eigen specifieke stoffen, gedeponeerd, gedehydreerd, en in de honingraten opgeslagen en achtergelaten om te rijpen.

Er worden verschillende soorten honing onderscheiden naargelang de oorsprong (bloemenhoning, nectarhoning, honingdauwhoning) of de wijze van productie en/of presentatie (raathoning, brokhoning, lekhoning, slingerhoning, pershoning, gefilterde honing). Eveneens wordt vastgelegd wat onder bakkershoning wordt verstaan (industrieel gebruik omwille van mogelijke afwijkingen).

Een belangrijk hoofdstuk is gewijd aan de kenmerken van honing. Daarvoor wordt best de tekst zelf van het KB van 19/03/2004 geraadpleegd. Honing die voor menselijke consumptie bestemd is en verhandeld wordt, moet dus steeds voldoen aan de in het KB van 19/03/2004 betreffende honing weergegeven kenmerken. In het bijzonder zijn residuen van antibiotica niet toegestaan in honing. In dit verband wordt verwezen naar het advies van het wetenschappelijk comité (advies 2001/11) betreffende residuen van antibiotica en sulfonamiden in honing.

  • Wet van 24/01/1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten.
    (Nummer NUMAC - 1977012405 - voor de gecoördineerde wetgeving)
     
  • K.B. van 09/02/1990 betreffende de vermelding van de partij waartoe een voedingsmiddel behoort.
    (Nummer NUMAC - 1990025061 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • K.B. van 11/05/1992 betreffende materialen en voorwerpen bestemd om met voedingsmiddelen in aanraking te komen.
    (Nummer NUMAC - 1992025140 - voor de gecoördineerde wetgeving)
     
  • K.B.. van 14/11/2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen.
    (Nummer NUMAC - 2003023054 - voor de gecoördineerde wetgeving)
     
  • K.B. van 19/03/2004 betreffende honing.
    (Nummer NUMAC -  2004011146 - voor de gecoördineerde wetgeving)
     
  • M.B. van 24/10/2005 betreffende de versoepelingen van de toepassingsmodaliteiten van de autocontrole en de traceerbaarheid in sommige bedrijven van de levensmiddelensector. 
    (Nummer NUMAC - 2005022914 - voor de gecoördineerde wetgeving)
  • Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25/10/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten.
    (ELI link: https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2011/1169/oj – klik voor de laatste geconsolideerde wetgeving op de datum na “ Van kracht…”)

2. Etikettering van honing

De Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25/10/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten is van toepassing. Echter voorziet het KB van 19/03/2004 enkele afwijkingen of bijkomende specifieke regels.

3. Verpakking van honing (KB 11/05/1992)

Er gelden met betrekking tot de verpakking van honing geen bijzondere eisen. De verpakking moet voldoen aan de voorschriften van het KB van 11/05/1992 betreffende materialen en voorwerpen bestemd om met voedingsmiddelen in aanraking te komen, d.w.z. dat de verpakking schoon moet zijn, in goede staat moet verkeren en op eenvoudige wijze van de honing moet kunnen worden gescheiden. Ze moet geschikt zijn om met honing in aanraking te komen. Ze kan als volgt worden herkend: ofwel aan de vermelding "geschikt voor levensmiddelen" of "geschikt voor eet- en drinkwaren", of het symbool met het glas en de vork. Bij twijfel, kan een verklaring van de producent van de verpakking worden gevraagd.

4. Autocontrole, traceerbaarheid, meldingsplicht, registers.

4.1 Autocontrole (KB 14/11/2003 en MB 24/10/2005)

Men verstaat onder autocontrole het geheel van maatregelen die door de bijenhouder worden getroffen om ervoor te zorgen dat de producten in alle stadia van de productie, verwerking en distributie die onder zijn beheer vallen:

  • voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake voedselveiligheid;
  • voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake kwaliteit van de producten waarvoor het Agentschap bevoegd is;
  • voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk III van het KB van 14/11/2003 over de traceerbaarheid en het toezicht op de effectieve naleving van deze voorschriften.

Bijenhouders die levensmiddelen vervaardigen of verwerken hoeven geen eigen risicoanalyse uit te voeren en moeten zich niet schikken naar de verplichting een formele HACCP-procedure toe te passen als de doelstellingen inzake het voorkomen, elimineren of tot een aanvaardbaar niveau reduceren van gevaren worden bereikt als zij zich baseren op de "Gids voor goede Bijenteeltpraktijken". Deze gids, opgesteld door de sector en goedgekeurd door het FAVV, is verkrijgbaar via het "Informatiecentrum voor Bijenteelt" en het "CARI" (dit is het onderzoeks- en informatiecentrum van de Belgische Bijenteeltfederatie).

In verband met de bewakingsprocedures kan de verplichting om de verrichte controles te registreren worden beperkt tot het registreren van de non-conformiteiten. Niettemin moeten alle analyseresultaten worden bewaard 5 jaar.


4.2 Traceerbaarheid (KB 14/11/2003 en MB 24/10/2005)

Belgische bedrijven, vestigingseenheden en hun exploitanten moeten geïdentificeerd en hun coördinaten moeten geregistreerd zijn door het Agentschap. Elke bijenhouder moet beschikken over systemen of procedures waarmee van de ontvangen producten wordt geregistreerd: de aard (honing, koningin…), de identificatie, de hoeveelheid, de ontvangstdatum, de identificatie van de vestigingseenheid die het product levert.

Elke bijenhouder moet beschikken over systemen of procedures waarmee van de afgevoerde producten wordt geregistreerd: de aard, de identificatie, de hoeveelheid, de leveringsdatum, de identificatie van de vestigingseenheid die het product afneemt.

De bijenhouder moet beschikken over systemen of procedures waarmee het verband tussen de aangevoerde en de afgevoerde producten kan worden gelegd en waarmee ze in alle stadia van de productie traceerbaar zijn.

In verband met de traceerbaarheid moet elk recipiënt dat honing bevat een etiket vertonen op de zijwand, waarop de identificatie van de oogst (honing afkomstig van dezelfde bijenstand en dezelfde slingerbeurt) en die van het lot (honing afkomstig van een of meerdere slingerbeurten of mengsels van verschillende soorten honing) vermeld wordt.

Meer informatie over de registers is beschikbaar in de sectorgids

Alle documenten met betrekking tot de autocontrole of de traceerbaarheid moeten gedurende ten minste 5 jaar worden bewaard.


4.3 Meldingsplicht (KB 14/11/2003)

Elke bijenhouder stelt het Agentschap onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een door hem ingevoerd, geproduceerd, gekweekt, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd product schadelijk kan zijn voor de gezondheid van mens, dier of plant. Hij stelt het Agentschap in kennis van de maatregelen die hij heeft getroffen om risico’s te voorkomen.

Deze bepalingen gelden eveneens voor de aangifteplichtige ziekten die zijn vermeld in hoofdstuk 2.2.

Formulieren in verband met de meldingsplicht zijn terug te vinden op de pagina "Meldingsplicht": (Bijlage 1: Formulier voor verplichte melding van een voedselrisico; Bijlage 3: Formulier voor het melden van een aangifteplichtige ziekte).

Alle documenten met betrekking tot de autocontrole of de traceerbaarheid moeten gedurende ten minste 5 jaar worden bewaard.

4.4 Registers (KB 14/11/2003)

Bijenhouders moeten registers bijhouden waarin het volgende wordt vermeld:

  • de aard en de oorsprong van de eventueel aan de bijen verstrekte honing, andere voedermiddelen (bijvoorbeeld suikerwater) en geur- en lokstoffen;
  • de toegediende diergeneesmiddelen of andere behandelingen die de bijen hebben ondergaan, met inbegrip van de data van toediening of behandeling en de wachttijden;
  • de aanwezigheid van ziekten die de veiligheid van de producten van dierlijke oorsprong in het gedrang kunnen brengen;
  • de voor de volksgezondheid belangrijke resultaten van analyses van bij de dieren genomen monsters of van andere voor diagnosedoeleinden genomen monsters;
  • alle toepasselijke controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong (honing, koninginnebrij, pollen).

Bijenhouders moeten de registers gedurende ten minste 5 jaar bewaren en de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking stellen van het Agentschap, van de gewestelijke overheden en van de ontvangende exploitanten van agro-alimentaire bedrijven.